dinsdag 17 maart 2009

Het spook van de jaren '30

Door: Bertram - Bennekom, lente 2009

Dat ik een beroemd architect zou gaan worden, dat stond voor mij al heel lang vast. Ik had het allemaal voorgerekend. Uit onderzoek is immers gebleken dat het circa 10.000 uur kost om de top te bereiken. Ik was al een heel eind op weg. Ik droomde ervan leiding te zullen geven aan een vooraanstaand internationaal architectenbureau, dat tevens mijn naam zou dragen. Ik zou de ontwerpen maken voor ambassadegebouwen, nationale musea en paleizen voor rijke sjeiks. Als het op ontwerpen aankomt zou men niet om mij heen kunnen was mijn overtuiging.

Mijn ontslag bij Roest & Van Bunnik Architecten en Planners BNA BNI kwam hard aan. Dat de financiële crisis dit gerenommeerde bureau zou treffen had ik niet verwacht. Vier jaar werkte ik er inmiddels al en ik was daarin uitgegroeid tot de rechterhand van Roest en de linkerhand van Van Bunnik. Ik stuurde een tekenkamer aan van 12 man. Ik werkte aan grootschalige woningbouwprojecten, scholen en winkelcentra. En ineens was er geen werk meer. Helemaal niets. De woningbouw lag volledig stil, een aantal opdrachtgevers ging failliet en weinigen durfden het nog aan om te investeren in nieuwbouw. Dit was het einde voor Roest en Van Bunnik.


Ik belandde in de WW en ging op zoek naar een nieuwe baan. Ik schreef een aantal teksten voor een regionale krant over 'de zin van architectuur' en 'hoe we deze crisis vormgeven'. Al gauw had mijn agent door dat mijn teksten niet goed gelezen werden en hij hield verder de boot af. Ondertussen had ik steeds meer moeite om mijn hypotheek nog te betalen. Een aantal jaren geleden had ik immers met mijn vrouw een hippe loft gekocht in het centrum van Amsterdam. Veel te duur ook. Na ons derde kind was mijn vrouw gestopt met werken. Deze crisis kwam voor ons dus erg ongelegen.

Toen de crisis langer aanhield ontkwamen we er niet aan de loft te verkopen met een fors verlies. We namen onze intrek in een huurwoning. Op dat moment beviel mijn vrouw van een tweeling. Om de huur te kunnen betalen nam ik een baan aan op de tram. Ik riep de haltes om en verkocht kaartjes. De tram raakte mij niet, en dat zag ook de directie. Na drie weken stuurden ze me naar huis.

Ik belandde wederom in de steun en moest mij tweemaal per dag melden bij een stempelbureau. Daarnaast meldde ik mij ook tweemaal per dag in de kroeg. Dit was de reden dat er steeds minder geld overbleef voor de huur en het huishouden. Het duurde niet lang voordat we de woning werden uitgezet.

Met vijf kinderen en nog een zesde op komst zwierven we door Amsterdam. We belden aan bij familie en vrienden. De meesten hadden geen plek voor ons of zaten nog verder in de schulden. Uiteindelijk kwamen we terecht bij Spijker, één van de vroegere tekenaars van Roest & Van Bunnik. Zolang we niet voor overlast zouden zorgen mochten we de kelder gebruiken. De kelder was koud en vochtig, maar we hadden in ieder geval onderdak. De geboorte van Marco was een drama. In de kraamkelder stierven zowel moeder als kind. De steun van die maand ging naar een fatsoenlijke begrafenis.

Met vijf kinderen sloeg ik aan het bedelen. Ik smeekte Spijker of hij nog een kamer vrij had in het bovenhuis, ik zou kunnen gaan werken bij de aanleg van het Amsterdamse bos en dan zou ik daarvan de huur kunnen betalen. Spijker zou er over nadenken; ik hoorde er niets meer van. Totdat het noodlot toesloeg. Binnen een maand stierven wee kinderen aan difterie en één aan TBC. Spijker kon het niet meer aanzien en bood ons de zolder aan, op voorwaarde dat ik werk zou gaan zoeken. Ik kwam terecht in de werkverschaffing – sloten graven net buiten de stad. Op vrijdag kon ik mijn loon ophalen bij het arbeidsbureau. Meestal gingen we dan met een aantal maten de kroeg in om het einde van de week te vieren.

Op een van die vrijdagavonden was er in de kroeg een bijeenkomst van de Nationaal Socialistische Beweging. Er werd scherp gedebatteerd over de rol van de overheid in deze tijden van crisis. En plotseling werd er gevochten. De aanleiding was niet geheel duidelijk. We probeerden de boel te sussen. Ik kreeg een klap op mijn achterhoofd en draaide mij om. Een vuist suisde langs. Een schreeuw. Een vliegend glas bier. Ik kreeg een dreun van opzij en werd woest. Ik greep een man bij zijn kraag en sleurde hem naar de grond. Ik struikelde en nam een barkruk mee. Bij de bar sloeg ik wild om me heen. Ik raakte alles wat ik tegenkwam. Ik zag een zaal tekenaars bij Roest en Van Bunnik. Ik zag de remise en de tram. En toen ik bijkwam stond ik oog in oog met mijn enig overgebleven zoon en dochter. 'Papa' vroeg mijn dochter, 'als je weer vrijkomt, wat ga je dan doen?' 'Dan ga ik werk zoeken, kind. Onverschillig wat.'

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen